MASSAGE • PIJNVERLICHTING • HUIDVERBETERING • BODY CONTOURING • HIFU & LIPOSONIX
Moeten we spieren eerst beschadigen om ze sterker te maken?
Is spierpijn een teken van een goede training? En groeien spieren door schade? Een therapeutische blik op pijn, ontsteking, microtrauma en de slimme manier waarop het lichaam zich aanpast.Blog post description.
LICHAAM & HERSTELONTSPANNING & MASSAGE
9 min read


Over microtrauma, ontsteking, pijn en de manier waarop we over het lichaam praten
Therapeut: “Doet het hier pijn?”
Cliënt: “Ja.”
Cliënt: “Wat heb ik daar dan?”
Therapeut: “Een ontsteking.”
Cliënt: “Ahaaa …”
Dat “ahaaa” ken ik inmiddels heel goed.
Niet omdat er per se iets mis is met mijn antwoord. Een ontsteking kan een heel passende term zijn voor een bepaald fysiologisch proces. Het probleem zit in wat iemand hoort wanneer we dat woord uitspreken.
Als therapeut kan ik met het woord ontsteking een lokale biologische reactie van het weefsel bedoelen.
De cliënt kan horen:
Er is iets beschadigd.
En als iets beschadigd is, moet je voorzichtig zijn.
Als je voorzichtig moet zijn, mag je misschien niet bewegen.
En als bewegen gevaarlijk is, kun je misschien beter helemaal niets doen.
En ineens is er uit één woord een veel groter verhaal ontstaan.
Juist daarom ben ik steeds meer gaan nadenken over de woorden die we gebruiken om het lichaam te beschrijven.
Over pijn.
Over ontsteking.
Over beschadiging.
Over microtrauma.
En vooral over de vraag of we met die woorden altijd werkelijk beschrijven wat er in het lichaam gebeurt.
Als je lichaam pijn doet, wil je weten waarom
Dat is volkomen begrijpelijk.
Als iets pijn doet, willen we weten waarom.
“Wat is daar aan de hand?”
“Waarom doet het pijn?”
“Wat heb ik gedaan?”
“Is er iets beschadigd?”
We willen niet alleen weten dat iets pijn doet. We willen begrijpen wat er in ons lichaam gebeurt.
En daar begint het probleem.
Want het lichaam is veel complexer dan de woorden die we ervoor hebben.
Pijn is bijvoorbeeld geen directe meter voor weefselschade.
Pijn kan samenhangen met weefselbeschadiging, ontstekingsmediatoren, mechanische prikkeling, veranderingen in het zenuwstelsel en allerlei andere processen. Ook eerdere ervaringen en de manier waarop het zenuwstelsel een prikkel beoordeelt, spelen een rol.
Daarom kunnen we op basis van:
“Hier doet het pijn.”
niet automatisch concluderen:
“Hier is weefsel beschadigd.”
En al helemaal niet:
“Hier zit een ontsteking.”
Dat betekent niet dat de pijn niet echt is.
Integendeel.
Pijn is echt.
Alleen de verklaring voor die pijn is niet altijd zo eenvoudig als we zouden willen.
Wat is een ontsteking eigenlijk?
Een ontsteking is een van de manieren waarop het lichaam reageert op bepaalde prikkels en beschadigingen.
Daarbij zijn onder andere immuuncellen, signaalstoffen en lokale processen betrokken die invloed hebben op de doorbloeding, de doorlaatbaarheid van bloedvaten, de gevoeligheid van weefsel en herstelprocessen.
Dat is een sterk vereenvoudigde uitleg, maar één ding is belangrijk om te begrijpen:
een ontsteking is niet hetzelfde als een ramp.
Een acute ontstekingsreactie kan een normaal onderdeel zijn van de reactie van het lichaam op belasting en kan ook betrokken zijn bij herstel en aanpassing van weefsels.
Dat is ook relevant bij bewegen en trainen.
Een recente review in Cell Metabolism beschrijft de ontstekingsreactie bij lichamelijke inspanning als onderdeel van de stressrespons. Die reactie is niet alleen een gevolg van inspanning, maar kan ook actief bijdragen aan de manier waarop spieren zich aanpassen aan training.
Dat is iets anders dan het idee:
ontsteking = slecht en moet zo snel mogelijk verdwijnen.
Maar ook hier moeten we oppassen dat we niet meteen het tegenovergestelde gaan beweren.
Een kortdurende fysiologische reactie op inspanning is iets anders dan een chronische, pathologische ontsteking.
De context is belangrijk.
Net als de duur van de reactie.
Toen begon ik na te denken over het woord “microtrauma”
Bij training wordt al lange tijd uitgelegd dat spieren groeien omdat we ze eerst een beetje beschadigen.
Door de training ontstaan kleine beschadigingen in de spiervezels.
Het lichaam herstelt die.
En tijdens dat herstel wordt de spier sterker en groter.
Op het eerste gezicht klinkt dat heel logisch.
Het is eenvoudig.
En het is gemakkelijk te onthouden.
Maar juist daarom kan het ook misleidend zijn.
Want dan ontstaat een belangrijke vraag:
Als beschadiging de reden is dat een spier groeit, betekent méér beschadiging dan ook méér groei?
Onderzoek ondersteunt die conclusie niet.
Reviews van de literatuur laten zien dat spierschade geen noodzakelijke stap is voor spierhypertrofie. Spiergroei en krachttoename kunnen ook optreden na trainingsprotocollen die relatief weinig spierschade veroorzaken.
Dat is een belangrijke correctie op het oude beeld.
Het betekent niet dat spierweefsel tijdens inspanning nooit beschadigd raakt.
Dat kan zeker gebeuren.
Het betekent alleen dat we spierschade niet aan het begin van het verhaal over spiergroei kunnen zetten als de belangrijkste oorzaak.
Wat gebeurt er dan wanneer we een spier belasten?
Hier wordt de fysiologie eigenlijk veel interessanter.
Een spiervezel is een zeer georganiseerde structuur. Wanneer we de spier belasten, verandert de mechanische toestand van allerlei structuren binnen en rond de spiercel.
Verschillende systemen in de cel kunnen die veranderingen waarnemen.
Dit noemen we mechanotransductie: een mechanische prikkel wordt vertaald naar biochemische signalen.
Heel vereenvoudigd:
mechanische belasting → cellulaire signalering → veranderingen in eiwitsynthese → aanpassing van de spier
Een van de belangrijke signaalroutes die hierbij betrokken is, is mTORC1.
Maar mTORC1 is geen simpele “aan-knop voor spiergroei”, zoals het soms op sociale media wordt voorgesteld.
Het maakt deel uit van een veel groter systeem dat onder andere de groei van cellen en de aanmaak van eiwitten reguleert.
Een recente review over de mechanismen achter spierhypertrofie beschrijft hoe mechanische overbelasting verschillende processen in gang zet, waaronder verhoogde activiteit van mTORC1, veranderingen in de eiwitsynthesecapaciteit, een verhoogde spiereiwitsynthese en processen waarbij satellietcellen betrokken zijn. Tegelijkertijd benadrukken de auteurs dat we nog lang niet alle mechanismen volledig begrijpen.
Dat laatste vind ik belangrijk.
Wetenschap zegt niet altijd:
“We weten precies hoe het werkt.”
Vaak zegt ze:
“We weten inmiddels veel meer dan vroeger, maar nog steeds niet alles.”
En dat is op dit moment een eerlijke beschrijving van wat we weten over spierhypertrofie.
Een spier “beslist” natuurlijk niet dat hij groter moet worden
Hier moet ik ook een van mijn eigen favoriete vereenvoudigingen nuanceren.
We zeggen soms:
“Het lichaam krijgt het signaal dat het deze belasting in de toekomst opnieuw nodig zal hebben.”
Dat is een handige metafoor.
Maar natuurlijk denkt een spier niet na.
In de spiercel vinden meetbare biochemische veranderingen plaats.
Na krachttraining neemt de spiereiwitsynthese gedurende een bepaalde periode toe. Wanneer dergelijke prikkels regelmatig terugkomen en worden ondersteund door voldoende voeding, herstel en andere factoren, kunnen de structuur en functie van de spier zich op langere termijn aanpassen.
Het is dus niet:
“We beschadigen de spier en de spier besluit groter te worden.”
Het is eerder:
“We belasten de spier. De mechanische prikkel wordt vertaald in cellulaire signalen. Die beïnvloeden onder andere herstel- en eiwitsyntheseprocessen. Bij herhaalde belasting kan dit op langere termijn leiden tot aanpassing.”
Dat klinkt misschien iets minder elegant.
Maar het is wel een stuk interessanter.
En hoe zit het dan met spierpijn?
Hier komen we bij iets wat bijna iedereen kent die ooit is begonnen met trainen.
De dag na een training kom je nauwelijks uit je stoel.
Traplopen wordt ineens een uitdaging.
Je spieren zijn gevoelig bij aanraking.
En je denkt:
Dit was dus een goede training.
Niet noodzakelijk.
Vertraagde spierpijn, oftewel DOMS, ontstaat vaak na een nieuwe of ongebruikelijke belasting, vooral na bepaalde vormen van excentrische spierbelasting.
Maar de hoeveelheid spierpijn is geen goede maatstaf voor spiergroei.
Ernstige spierpijn is geen bewijs dat een training effectief was.
En omgekeerd betekent weinig of geen spierpijn niet dat er geen belangrijke aanpassing heeft plaatsgevonden.
Dat is eigenlijk heel logisch.
Wanneer we dezelfde belasting vaker herhalen, past het lichaam zich eraan aan. Bij een volgende, vergelijkbare belasting is de reactie vaak minder sterk.
Het lichaam heeft geleerd.
We hoeven dus niet iedere keer méér schade te veroorzaken om vooruitgang te boeken.
Sterker nog: het zou nogal vreemd zijn als onze langetermijnstrategie om sterker te worden zou bestaan uit:
iedere keer zoveel mogelijk schade aanrichten.
Maar spieren zijn nog veel meer dan dat
En hier komen we bij het deel dat ik misschien nog interessanter vind dan het verhaal over spiergroei.
Lange tijd zagen we de spier vooral als weefsel dat beweging mogelijk maakt.
De spier trekt samen.
Het gewricht beweegt.
Ons lichaam beweegt.
Einde verhaal.
Tegenwoordig weten we dat skeletspieren ook een secretoir en endocrien orgaan zijn.
Wanneer spieren samentrekken, geven ze verschillende signaalmoleculen af. Deze noemen we myokinen.
Ze kunnen lokaal werken op de spier zelf of op omliggende cellen, maar via de bloedbaan kunnen ze ook andere weefsels en organen beïnvloeden. Ze spelen onder andere een rol bij de stofwisseling, ontstekingsprocessen, spieradaptatie en de communicatie tussen spieren en andere organen.
Dat betekent dat een spier tijdens beweging niet alleen mechanisch werk doet.
Een spier communiceert ook.
Dat vind ik als therapeut een fascinerend idee.
Wanneer een spier samentrekt, gebeurt er niet alleen:
“De spier heeft een beweging gemaakt.”
Er gebeurt veel meer.
De spier beïnvloedt zijn omgeving en geeft signalen af die elders in het lichaam effect kunnen hebben.
De spier is dus niet alleen een motor.
Het is ook een signaalorgaan.
En dan komen we bij IL-6
Dit is een mooi voorbeeld van hoe één woord ons begrip kan veranderen.
IL-6 is een cytokine dat we vaak associëren met ontsteking.
Als we het heel eenvoudig zouden voorstellen, zouden we kunnen denken:
IL-6 = ontsteking = slecht.
Maar bij lichamelijke inspanning is het verhaal anders.
Spiercontracties kunnen de afgifte van IL-6 door spierweefsel verhogen. In die context kan IL-6 verschillende metabole en regulerende functies hebben. Het onderzoek naar IL-6 uit actieve spieren speelde bovendien een belangrijke rol in de ontwikkeling van het concept van myokinen.
Dat betekent niet dat IL-6 simpelweg een “goed hormoon” is.
Net zoals het niet betekent dat iedere ontsteking goed is.
Het betekent iets interessanters:
dezelfde molecule kan in verschillende omstandigheden een verschillende betekenis en functie hebben.
De context doet ertoe.
Dus is ontsteking dan goed?
Niet zo snel.
Als we uit dit artikel zouden concluderen:
“Ontsteking is eigenlijk goed.”
maken we precies dezelfde fout, maar dan in de andere richting.
Een acute ontstekingsreactie na inspanning kan onderdeel zijn van een normale fysiologische respons en bijdragen aan aanpassing.
Een chronische, laaggradige ontsteking die samenhangt met ziekteprocessen is iets heel anders.
Ook bij spierweefsel is het belangrijk dat een ontstekingsreactie uiteindelijk weer wordt gereguleerd en opgelost.
De vraag is dus niet alleen:
Hebben we ontsteking of niet?
Belangrijker zijn vragen als:
Welke reactie is dit? Waarom is ze ontstaan? Hoe lang duurt ze? En wat gebeurt er daarna?
Dat is ingewikkelder.
Maar ook veel interessanter.
Misschien begrijpen we herstel ook te simpel
Het woord herstel roept vaak het beeld op van rust na een training waarin we ons lichaam hebben uitgeput of beschadigd.
Maar na inspanning gebeurt er niet alleen reparatie.
Er vindt ook aanpassing plaats.
Spierproteïnen worden voortdurend afgebroken en opnieuw opgebouwd. Training verandert het evenwicht tussen deze processen. Voeding levert bouwstoffen en herstelperiodes geven het lichaam de gelegenheid om op de trainingsprikkel te reageren. Bij herhaalde training veranderen uiteindelijk de structuur, stofwisseling en functie van de spier.
Herstel is dus niet alleen:
“We repareren wat we kapot hebben gemaakt.”
Het is ook:
“We bereiden het systeem voor op de volgende belasting.”
Dat is een belangrijk verschil.
En dan ben ik weer terug in mijn behandelkamer
De cliënt vraagt:
“Wat heb ik daar dan?”
En ik moet antwoorden.
Dat is eigenlijk veel moeilijker dan het lijkt.
Want iemand wil een concreet woord.
Maar het lichaam geeft ons niet altijd een concreet woord.
Ik kan zwelling zien.
Ik kan een verandering van kleur zien.
Ik kan spanning voelen.
Een gebied kan gevoelig zijn bij aanraking.
Iemand kan pijn ervaren bij een bepaalde beweging.
Soms hebben we een goede reden om daar een bepaalde verklaring aan te verbinden.
Maar soms ook niet.
En juist dan vind ik het belangrijk om onderscheid te maken tussen:
“Ik weet wat er gebeurt.”
en
“Ik weet wat ik waarneem.”
Dat is niet hetzelfde.
Als iemand zegt:
“Hier doet het pijn.”
kunnen we die pijn heel serieus nemen zonder meteen een verhaal over beschadiging te creëren.
Als we tekenen zien die passen bij een ontstekingsreactie, kunnen we die beschrijven zonder iemand het gevoel te geven dat zijn of haar lichaam “beschadigd” is.
En als er bij training microscopische veranderingen in spierweefsel optreden, betekent dat nog niet dat we iets verkeerd hebben gedaan.
En als spieren de dag na een training pijnlijk zijn, betekent dat niet dat we ze eerst “kapot moesten maken” om resultaat te bereiken.
Misschien hebben we een preciezere taal nodig voor het lichaam
Dat is uiteindelijk wat mij het meest interesseert.
Ik wil niet alle woorden die we gebruiken afschaffen.
Ik wil niet beweren dat ontstekingen niet bestaan.
Ik wil niet zeggen dat weefselschade onbelangrijk is.
Ik wil iemand met een echte blessure zeker niet vertellen dat alles slechts een normale reactie van het lichaam is.
En ik wil medische diagnostiek niet vervangen door een therapeutische inschatting wanneer een medische diagnose nodig is.
Ik wil iets anders:
dat we iets voorzichtiger worden met de manier waarop we het lichaam beschrijven.
Want het woord beschadiging is niet alleen een fysiologische beschrijving.
Een cliënt hoort het.
Het woord ontsteking is niet alleen een fysiologische beschrijving.
Een cliënt interpreteert het vanuit eerdere ervaringen.
Het woord microtrauma is niet alleen een technische term.
Een cliënt hoort het woord trauma.
En zo kan heel snel het volgende verhaal ontstaan:
Ik heb pijn → er is iets beschadigd → mijn lichaam is kwetsbaar → bewegen is gevaarlijk.
Als onze uitleg te stellig of niet helemaal juist is, kunnen we iemand onbedoeld iets belangrijks afnemen:
het vertrouwen in het eigen lichaam.
Het lichaam is geen machine die we voortdurend moeten repareren
Misschien is dit wel de grootste verandering in mijn eigen manier van denken.
Het lichaam is geen machine die verslijt en die we voortdurend moeten repareren.
Het is geen verzameling losse onderdelen waarbij we voor iedere pijn het defecte onderdeel moeten vinden.
Het is een levend systeem.
Het registreert mechanische belasting.
Reageert op metabole veranderingen.
Communiceert met het immuunsysteem.
Geeft signaalmoleculen af.
Verandert de aanmaak van eiwitten.
Past het zenuwstelsel aan.
Herstelt weefsel.
En leert.
Soms raakt het beschadigd.
Soms raakt het ontstoken.
Soms doet het pijn.
En soms heeft het simpelweg een andere prikkel nodig en voldoende tijd om zich daaraan aan te passen.
Daarom kijk ik tegenwoordig anders naar de oude formule:
beschadigen → herstellen → sterker worden.
Ik vind deze beter:
belasten → reageren → aanpassen.
Niet omdat deze formule perfect is.
Dat is ze niet.
Maar omdat ze ons eraan herinnert dat het doel van training niet is om het lichaam te beschadigen.
Het doel is het lichaam een voldoende sterke prikkel te geven waarop het zich kan aanpassen.
En misschien geldt iets vergelijkbaars voor therapie.
Het is niet altijd onze taak om een fout in het lichaam te vinden.
Soms is het onze taak om de reactie van het lichaam goed genoeg te begrijpen om die te kunnen uitleggen zonder onnodige angst of een rampverhaal te creëren.
En daarom zal ik de volgende keer dat ik hoor:
“Wat heb ik daar dan?”
misschien even pauzeren.
Want soms is het meest professionele antwoord ook het meest eerlijke:
“Laten we eerst kijken naar wat we werkelijk kunnen waarnemen — en naar wat we nog niet weten.”